WORDING

De wind wast alles schoon 
breekt de takken van de bomen
en gebiedt mij buigzaam 
te bewegen op haar stroom

Meer nog dan voorheen raast zij 
door mijn hoofd en spreidt 
haar macht tentoon.

Ik ben haar niet langer baas 
zoals toen ik nog met zeil en lijn 
kon temmen wat te groot geworden leek 

Ik geef toe, ik moet wel nu 
de wind me grijpt,
neersmakt en tot inkeer dwingt.

TE GAAN

Deze gele smet is te schel om op te gaan in land-
geen wonder dat de pont vanaf de kade elke 
drie minuten naar de overzijde wordt gespuugd
verlost van groen waarnaar het zich niet voegen kan
  
het schip stoort zich intussen aan willekeurig niets-
langs de ketting klieft hij wolk en water
als was het zoete dikke melk die loom en
willoos steeds gestaag haar loop herneemt. 
  
Zo schikt alles zich in trage kolken terug in het gareel
geen schip, geen brug, geen storm of ongenadig 
zonlicht breekt dit spel dat consequent toen 
met nu en straks verbindt naar onbuigbaar protocol.
  
De pontbaas schikt mijn munten nauwgezet:
welbeschouwd is hij de zuivere constante die 
deze discipline enkel wijzigt wanneer beweging
tussen land en land verbroken wordt. 

UITGEMERGELD LAND

Verheven staat aan de rand van het plateau
de Dôme:
zwijgende schuldige van hebzucht en noodzaak;
toonbeeld van overmoed dat schaamteloos roestend
nog juist de betonnen constructie bijeenhoudt.

Na de strijd ligt uitgeput in volkomen stilte
de onrijpe symbiose van stalen lijnen en
in onvoorspelbaarheid gevormd waterbekken-
lijdzaam wachtend op ingreep door mensenhand.

Foto: Kerti Mulatság