WAT EEN MOOIE GLAZEN BOL

Treed binnen in dit roemrucht huis
vergeven van onstuitbaar leven.
Taal en lichaam worden hier geworpen
als stuiterballen in de nacht-

giechelschreeuw en lolligheid
stroomt kamers in en uit rollebollen
dikke tranen langs en over
houdgreep rustmoment.

Maar te midden van de chaos vangt
iemand her of der wel eens een bal
er is een leemte in dit
ongeleid lawaai:

voor wie geduldig vastberaden luistert
naar wat zich achter krakend hout
en losgelaten pleister ook ophoudt,
weet: hier wordt dagelijks groei bereid.

Treed binnen, goedgeluimd en tot
de tanden toe bewapend graag;
olijk, liefdevol en met moed bekleed,
in onze grote glazen bol

waar toekomst blaakt.

HOMO ECONOMICUS

Dikke lagen streng bemeten zwart
strijken neer op mijn sinds
lang geen blanco blad:
geen dunne lagen
-behoedzaam opgezet- zodat
wat onderligt nog lichten kan.

Mijn nagels krabben pulken
klauwen: niets zo onverbiddelijk
als acryl in haar uiteindelijke staat
van zijn.

Ik vul mijn nagels met het plastic onheil
dat in razend tempo droogt;
er is geen houden aan-
tenzij

ik
in verweer
in opstand.

KANT|WAL

Vier glazen bodems sprongen onder
potten bramen uit- dik en paars
als de plekken op mijn benen
en even warm- plakt aan mij

wat als kind oneindig ver
van huis altijd thuis zou zijn:

knotwilgen stomp en laag langs sloot en dras
soppend gras en klei die eetbaar leek:
met stok en tak verrezen zo paleizen
wolk voor wolk veroverd op de lucht.

Waar het gevaar van nooit meer
huiswaarts keren groter was dan waar-
lieten wij de vrije loop wat uren later
toch weer tembaar bleek.

Zoet en warm schrijnen bij herhaling
deze wonden: pleister ongewenst.

BETRAPT

Het zuchten van de stoel verraadt
aanwezigheid in de kamer boven mij:
de nog ongerichte regels schrikken op
en breken af onder de dreiging van geluid.

Kon ik de treden van de trap afpellen-
zo waande ik mij onbespied en reeg
zonder aarzelen de kralen van het spel
aaneen tot massief geconstrueerde taal.

Maar onder elke zucht, elke stap, rollen
keer op keer de woorden van het tafelblad:
ongenadig spat mijn gebrekkige constructie los
om pas dagen later – misschien.

Waarom toch verdraagt schone taal
geen toeschouwers in haar ontstaan;

alleen in roerloze afwezigheid van ieder
die haar niet verstaat voordat zij is wat zij kan zijn
weef ik haar tot stevig kleed dat het beton
bedekt waarop ik bewegen moet.

PASSIE

Karmijnrood spint zich hier
een draad langs wanden van
het schijnbaar zo doorzichtig wit.
Ze tekent paden af in mijn paleis
van ijs en water dat nog zoveel
onontdekte zalen telt.

Elke kamer die zich smelten laat
weet zich een vreemde nieuwe morgen
met bloemkristal bedekt.

Diep in de wanden heeft zich dan
het brandend rood gevreten
dat altijd broeien zal.
Ik smelt en groei door haar
langs onontgonnen kou
mijn diepste krachten tegemoet.