UITGEMERGELD LAND

Verheven staat aan de rand van het plateau
de Dôme:
zwijgende schuldige van hebzucht en noodzaak;
toonbeeld van overmoed dat schaamteloos roestend
nog juist de betonnen constructie bijeenhoudt.

Na de strijd ligt uitgeput in volkomen stilte
de onrijpe symbiose van stalen lijnen en
in onvoorspelbaarheid gevormd waterbekken-
lijdzaam wachtend op ingreep door mensenhand.

Foto: Kerti Mulatság

MES

Uit het goede hout gedreven wordt 
ontdaan van rot, kever en larve
zachtmoedig beeld gevormd dat 
eerder ongezien kon blijven.

Haar scherpe blik behoeft
nog enkel veren om te gaan.
Ik schenk ze haar in volle overgave-
maar wel alleen in taal.

VAART

Op het water wordt zij toch verrast
door het verdriet dat herfst al jaren
in zich draagt: niet de koude,

maar de warmte van november
honoreert herinnering die
zij niet wil- niet nu.

Het is een al te soepel glijden
dat haar zegt dat zij keer op keer
onmachtig achterblijft.

Der Lauf der Dinge spoedt zich voort
en rammelt aan het raamwerk
dat zij zich onbreekbaar had gefopt.

ONDERZOEK

Vijf bomen- drie keer zag ik ze in vol ornaat,
klom ik in mijn hoofd omhoog
bewoog takken en reikte naar hoger lucht;

liet vervolgens mijn oog geruisloos vallen
geleid door blad en licht in
zachte landing zonder kleerscheuren. 

Maar toen ik vandaag passeerde,
sneller dan noodzakelijk,
bleken ze ontdaan van alles
dat mij gedragen had: kruin, blad, stam.

Verborgen in de aarde ligt wat blijft-
ik graaf, omdat daar ondergronds en
dwingend kennis ligt besloten
die blad zal dragen door mijn hand. 

EN TOCH

Zij vouwt in het geniep papieren vogels
doodgemoedereerd en onverstoorbaar
naar eeuwenoud model.
Ten hoogste vallen zulke vogels zwevend neer.

Dan begraaft zij de nog witte vleugels
in omgeklauwde aarde;
verdrinkt zij hun belofte
in gore plassen van vergetelheid-

en niemand die nog weet
wat het kale vel van vogels echt vermag 
zolang opgeblazen stof hoger wordt geacht
dan vaste grond en zwarte nagelriem.

WHAT A WOMAN MUST HAVE

In het bos is een kamer, kaal
maar voorzien van helder ochtendlicht- 
open ruimte waarop het zicht
door geen boom belemmerd wordt.

Tot ontzetting van mijzelf kaatst
meedogenloos van muur tot muur
de reflectie van wat een spiegel schijnt te zijn:
het is mijn taal, die daar geworpen wordt-

zomaar, alsof ze willoos is en altijd was:
in regelmatige verplaatsing voortgezet,
blijkt het glas onbreekbaar en
de toegang mij ontzegd tot nader order.

Het is mijn schuld: verwaarlozing van wat er werkelijk 
toe doet leidt tot deze taferelen in mijn brein- 
ik knip het ochtendlicht nu uit,
sluit de kamer dan van binnen af.

Dit is dan mijn werk.
Het volstaat niet als gedicht en breekt 
de taal niet open met haar klank,
maar is voorlopig weer bevrijd.

BROOD VAN DE DAG

vang de zon in je camera
door het raam van de trein
vangt niemand de zon
door de mist
boven bevroren gras

schoonheid laat zich
-o heerlijkheid- niet vangen
door jouw telefoon
verplicht genieten -ha!-
van het moment

dit is de kracht
van ons bestaan:
niet te kunnen vangen
maar onverwacht
gevangen zijn.

HOE TE VERDWIJNEN

onopgemerkt
als zon achter wolken
onaangekondigd
achter de horizon
met een grote truc

[sta ik daar te gissen hoe]

Zo ook verdween mijn vader
maar zonder wolk of horizon
die ruimte laat
om plots weer te verschijnen.

Ik hoor hem steeds nog
zachtaan zingen
[Verdi op vinyl]
maar versta geen woord
van deze laatste truc.

MOS

Onvoorbereid viel een vers mij toe als gunst vandaag
het liet zich evenwel niet eenvoudig vangen
in krachtig beeld, in eenvoud van schone taal waarin
ordening en samenhang blijk geven van een soort van dichterschap-

Waarom wil het mos juist nu genadeloos en ongeremd
groeien alsof er geen onzekerheden zouden zijn;
alles goed zal komen zonder kennis van wat voorlag
en ontzag daarvoor geen blokkade vormt?

Gedrocht van mijn verbeelding dat bomen ontwortelt
in mijn hoofd, de ruimte kaal vreet en opnieuw begroeit
zo schijnbaar zonder schot in deze onvermijdelijke gang:
een vogel in zijn ei dat vandaag in alle kalmte breken zal.

HÖHERE WESEN BEFAHLEN:

uit-spreken is dwang in taalSIGMAR POLKE
te moeten duwen om te durven
en nog wordt zij geen helder beeld
schijnt het

zolang de taal onuitgesproken blijft,
zich slechts verwijlt in boek en schrift
spreekt zij luider
schijnt zij

in de virtuele ruimte tussen jou en mij
zijn klank en decibel
een zonde
enkel onuitgesproken doet zij haar echte werk:
imponeert, fascineert en scheurt een wond

die straks genezen zal
tot krachtig teken van de weigering
te spreken met jouw mond

(bij Sigmar Polke, Höhere Wesen befahlen: rechte obere Ecke schwarz malen! 1969)