BROOD VAN DE DAG

vang de zon in je camera
door het raam van de trein
vangt niemand de zon
door de mist
boven bevroren gras

schoonheid laat zich
-o heerlijkheid- niet vangen
door jouw telefoon
verplicht genieten -ha!-
van het moment

dit is de kracht
van ons bestaan:
niet te kunnen vangen
maar onverwacht
gevangen zijn.

HOE TE VERDWIJNEN

onopgemerkt
als zon achter wolken
onaangekondigd
achter de horizon
met een grote truc

[sta ik daar te gissen hoe]

Zo ook verdween mijn vader
maar zonder wolk of horizon
die ruimte laat
om plots weer te verschijnen.

Ik hoor hem steeds nog
zachtaan zingen
[Verdi op vinyl]
maar versta geen woord
van deze laatste truc.

MOS

Onvoorbereid viel een vers mij toe als gunst vandaag
het liet zich evenwel niet eenvoudig vangen
in krachtig beeld, in eenvoud van schone taal waarin
ordening en samenhang blijk geven van een soort van dichterschap-

Waarom wil het mos juist nu genadeloos en ongeremd
groeien alsof er geen onzekerheden zouden zijn;
alles goed zal komen zonder kennis van wat voorlag
en ontzag daarvoor geen blokkade vormt?

Gedrocht van mijn verbeelding dat bomen ontwortelt
in mijn hoofd, de ruimte kaal vreet en opnieuw begroeit
zo schijnbaar zonder schot in deze onvermijdelijke gang:
een vogel in zijn ei dat vandaag in alle kalmte breken zal.

NTRE DME

Dat de hemel in het oosten was
leerde ik te vroeg
gewillig stampte ik daarom
die boodschap ongelovig
-maar zonder aarzelen- tot
hapklare brokken in mijn kop.

voer voor macht zo leek het:
kennis om te imponeren
en te delen.

Maar dat de hemel zelf hier
nog steeds onbereikbaar blijkt
wist ook Chagall allang
en toch

zijn de rode vlekken die zijn licht
hier genadeloos naar binnen gooit
een weg

en sta ik hier opnieuw
met jou
je liet me los
maar greep het rood
dat alles voedt dat ons
nog bindt.

HÖHERE WESEN BEFAHLEN:

uit-spreken is dwang in taalSIGMAR POLKE
te moeten duwen om te durven
en nog wordt zij geen helder beeld
schijnt het

zolang de taal onuitgesproken blijft,
zich slechts verwijlt in boek en schrift
spreekt zij luider
schijnt zij

in de virtuele ruimte tussen jou en mij
zijn klank en decibel
een zonde
enkel onuitgesproken doet zij haar echte werk:
imponeert, fascineert en scheurt een wond

die straks genezen zal
tot krachtig teken van de weigering
te spreken met jouw mond

(bij Sigmar Polke, Höhere Wesen befahlen: rechte obere Ecke schwarz malen! 1969)

WAT EEN MOOIE GLAZEN BOL

Treed binnen in dit roemrucht huis
vergeven van onstuitbaar leven.
Taal en lichaam worden hier geworpen
als stuiterballen in de nacht-

giechelschreeuw en lolligheid
stroomt kamers in en uit rollebollen
dikke tranen langs en over
houdgreep rustmoment.

Maar te midden van de chaos vangt
iemand her of der wel eens een bal
er is een leemte in dit
ongeleid lawaai:

voor wie geduldig vastberaden luistert
naar wat zich achter krakend hout
en losgelaten pleister ook ophoudt,
weet: hier wordt dagelijks groei bereid.

Treed binnen, goedgeluimd en tot
de tanden toe bewapend graag;
olijk, liefdevol en met moed bekleed,
in onze grote glazen bol

waar toekomst blaakt.

HOMO ECONOMICUS

Dikke lagen streng bemeten zwart
strijken neer op mijn sinds
lang geen blanco blad:
geen dunne lagen
-behoedzaam opgezet- zodat
wat onderligt nog lichten kan.

Mijn nagels krabben pulken
klauwen: niets zo onverbiddelijk
als acryl in haar uiteindelijke staat
van zijn.

Ik vul mijn nagels met het plastic onheil
dat in razend tempo droogt;
er is geen houden aan-
tenzij

ik
in verweer
in opstand.

KANT|WAL

Vier glazen bodems sprongen onder
potten bramen uit- dik en paars
als de plekken op mijn benen
en even warm- plakt aan mij

wat als kind oneindig ver
van huis altijd thuis zou zijn:

knotwilgen stomp en laag langs sloot en dras
soppend gras en klei die eetbaar leek:
met stok en tak verrezen zo paleizen
wolk voor wolk veroverd op de lucht.

Waar het gevaar van nooit meer
huiswaarts keren groter was dan waar-
lieten wij de vrije loop wat uren later
toch weer tembaar bleek.

Zoet en warm schrijnen bij herhaling
deze wonden: pleister ongewenst.

BETRAPT

Het zuchten van de stoel verraadt
aanwezigheid in de kamer boven mij:
de nog ongerichte regels schrikken op
en breken af onder de dreiging van geluid.

Kon ik de treden van de trap afpellen-
zo waande ik mij onbespied en reeg
zonder aarzelen de kralen van het spel
aaneen tot massief geconstrueerde taal.

Maar onder elke zucht, elke stap, rollen
keer op keer de woorden van het tafelblad:
ongenadig spat mijn gebrekkige constructie los
om pas dagen later – misschien.

Waarom toch verdraagt schone taal
geen toeschouwers in haar ontstaan;

alleen in roerloze afwezigheid van ieder
die haar niet verstaat voordat zij is wat zij kan zijn
weef ik haar tot stevig kleed dat het beton
bedekt waarop ik bewegen moet.

PASSIE

Karmijnrood spint zich hier
een draad langs wanden van
het schijnbaar zo doorzichtig wit.
Ze tekent paden af in mijn paleis
van ijs en water dat nog zoveel
onontdekte zalen telt.

Elke kamer die zich smelten laat
weet zich een vreemde nieuwe morgen
met bloemkristal bedekt.

Diep in de wanden heeft zich dan
het brandend rood gevreten
dat altijd broeien zal.
Ik smelt en groei door haar
langs onontgonnen kou
mijn diepste krachten tegemoet.