
Zij breit met bijna lege handen een nieuwe trui-
van de oude raakten langzaam draden los
en werd ontrafeld wat behaaglijk was.
Nu zij daar zo volkomen naakt de wol
probeert te vormen breit zij zonder
oud patroon dan eindelijk haar eigen huid.

Zij breit met bijna lege handen een nieuwe trui-
van de oude raakten langzaam draden los
en werd ontrafeld wat behaaglijk was.
Nu zij daar zo volkomen naakt de wol
probeert te vormen breit zij zonder
oud patroon dan eindelijk haar eigen huid.
De regen ruist niet meer maar stort in grote stromen onrust uit over mijn gemoed dat zo verlangt naar gedwongen afstand in de zachte metafoor van dat soms dagenlang gestadig vallend water. Wanneer belandden we voor het laatst in cafés waar laven aan Schubert nog geen schande was en schrijven op papier nog zonder expositie mocht bestaan als noodzaak tot verdieping van de kunst. De regen nu schreeuwt in overdaad om nieuwe grote metaforen; om een taal die bolstaat van de meest verschrikkelijke beelden -kermis pretpark conceptstore museumshop- waarin het uiterlijk vertoon van valse bewondering voor te lichtzinnig kopieerbaar simulacrum zich onvermijdelijk als jaloezie zal openbaren.
waar het hout zich keert
zit scheppend de grote vrouw;
zij cultiveert het duin
zoals het dat zou willen
zo dat kon
zij ontdoet de aarde van haar winterdek;
herstelt de orde in het groen
dat, alsof het eindelijk weer ademhaalt,
schijnbaar gewichtloos op kan schieten
in hervonden licht.
Verheven staat aan de rand van het plateau
de Dôme:
zwijgende schuldige van hebzucht en noodzaak;
toonbeeld van overmoed dat schaamteloos roestend
nog juist de betonnen constructie bijeenhoudt.
Na de strijd ligt uitgeput in volkomen stilte
de onrijpe symbiose van stalen lijnen en
in onvoorspelbaarheid gevormd waterbekken-
lijdzaam wachtend op ingreep door mensenhand.

vast te willen leggen toont zich
nergens groter dan in de knop
van de magnolia: zij is een belofte,
onbereikbaar, want steevast onbenoembaar.
Verpozing in het beeld dat noopt tot stilstand
tussen broosheid en drang tot volle bloei:
het verlangen de tijdelijkheid te vorderen
is wat het meest begeerlijk lijkt-
maar goddank nog net de hoogmoed voor zal zijn
door het breken van haar knop.

Uit het goede hout gedreven wordt
ontdaan van rot, kever en larve
zachtmoedig beeld gevormd dat
eerder ongezien kon blijven.
Haar scherpe blik behoeft
nog enkel veren om te gaan.
Ik schenk ze haar in volle overgave-
maar wel alleen in taal.
Op het water wordt zij toch verrast
door het verdriet dat herfst al jaren
in zich draagt: niet de koude,
maar de warmte van november
honoreert herinnering die
zij niet wil- niet nu.
Het is een al te soepel glijden
dat haar zegt dat zij keer op keer
onmachtig achterblijft.
Der Lauf der Dinge spoedt zich voort
en rammelt aan het raamwerk
dat zij zich onbreekbaar had gefopt.
Vijf bomen- drie keer zag ik ze in vol ornaat,
klom ik in mijn hoofd omhoog
bewoog takken en reikte naar hoger lucht;
liet vervolgens mijn oog geruisloos vallen
geleid door blad en licht in
zachte landing zonder kleerscheuren.
Maar toen ik vandaag passeerde,
sneller dan noodzakelijk,
bleken ze ontdaan van alles
dat mij gedragen had: kruin, blad, stam.
Verborgen in de aarde ligt wat blijft-
ik graaf, omdat daar ondergronds en
dwingend kennis ligt besloten
die blad zal dragen door mijn hand.
Zij vouwt in het geniep papieren vogels doodgemoedereerd en onverstoorbaar naar eeuwenoud model. Ten hoogste vallen zulke vogels zwevend neer. Dan begraaft zij de nog witte vleugels in omgeklauwde aarde; verdrinkt zij hun belofte in gore plassen van vergetelheid- en niemand die nog weet wat het kale vel van vogels echt vermag zolang opgeblazen stof hoger wordt geacht dan vaste grond en zwarte nagelriem.
In het bos is een kamer, kaal maar voorzien van helder ochtendlicht- open ruimte waarop het zicht door geen boom belemmerd wordt. Tot ontzetting van mijzelf kaatst meedogenloos van muur tot muur de reflectie van wat een spiegel schijnt te zijn: het is mijn taal, die daar geworpen wordt- zomaar, alsof ze willoos is en altijd was: in regelmatige verplaatsing voortgezet, blijkt het glas onbreekbaar en de toegang mij ontzegd tot nader order. Het is mijn schuld: verwaarlozing van wat er werkelijk toe doet leidt tot deze taferelen in mijn brein- ik knip het ochtendlicht nu uit, sluit de kamer dan van binnen af. Dit is dan mijn werk. Het volstaat niet als gedicht en breekt de taal niet open met haar klank, maar is voorlopig weer bevrijd.