INKEER

Hadden we alles maar gelaten zoals het stampvol was
dit klein vertrek onaangeroerd en zonder reserves geduld-
had ik eerder toch begrepen dat schrobben en kwasten
meer vertroebelt dan verbleekt wat ijverig gestapeld werd.

Mijn ziel eruit -waarom- ik weet dat zelf nog nauwelijks, 
lijk ik, ontkleed, even waterkoud geworden als de witte ruimte zelf-
doorzichtig meer dan naakt schijnt mijn lichaam door dit vertrek 
dwingender dan ooit de marges van mijn broosheid te markeren.

VERSTERKING

Ik bewaak de ruimte met mijn woorden 
met mijn lijf, hoewel niets meer dan 
slechts mijn ene hand verweer zal vormen 
in een lopende beweging op papier.

Het is niet zomaar mijn verzet als 
achterhoede informant dat hier zijn 
weerslag heeft-
ik registreer slechts afschuw 

vertaald in samenkracht en hoe 
zich dat zo overtuigend toont
op de plek waarmee ik mij 
zo onvoorstelbaar sterk verbonden weet.

WORDING

De wind wast alles schoon 
breekt de takken van de bomen
en gebiedt mij buigzaam 
te bewegen op haar stroom

Meer nog dan voorheen raast zij 
door mijn hoofd en spreidt 
haar macht tentoon.

Ik ben haar niet langer baas 
zoals toen ik nog met zeil en lijn 
kon temmen wat te groot geworden leek 

Ik geef toe, ik moet wel nu 
de wind me grijpt,
neersmakt en tot inkeer dwingt.

TE GAAN

Deze gele smet is te schel om op te gaan in land-
geen wonder dat de pont vanaf de kade elke 
drie minuten naar de overzijde wordt gespuugd
verlost van groen waarnaar het zich niet voegen kan
  
het schip stoort zich intussen aan willekeurig niets-
langs de ketting klieft hij wolk en water
als was het zoete dikke melk die loom en
willoos steeds gestaag haar loop herneemt. 
  
Zo schikt alles zich in trage kolken terug in het gareel
geen schip, geen brug, geen storm of ongenadig 
zonlicht breekt dit spel dat consequent toen 
met nu en straks verbindt naar onbuigbaar protocol.
  
De pontbaas schikt mijn munten nauwgezet:
welbeschouwd is hij de zuivere constante die 
deze discipline enkel wijzigt wanneer beweging
tussen land en land verbroken wordt. 

DOORGANG

Tussen het hout van de kornoelje
zie ik een volkomen gaaf rond gat
waardoor de lucht wordt ingelijst:
het kan niet en toch is het er-
 
als ik neerkijk om te noteren wat ik zag
lost het op alsof het nooit bestond
zodat mijn blik in weerwil van mijzelf
toch gedragen lijkt door mijn verstand.

MEEUWEN IN NAMIDDAGLICHT

Zij cirkelen tussen de huizen over platte daken 
scheren langs mijn raam in blauw en grijs 
als waarschuwen zij mij 
de wolken niet te veronachtzamen
  
Mijn ogen volgen hun lijf dat alles blauw toont 
in het licht van hun vleugels: scheve dakkapellen, 
vitrage van ooit, gehavende coniferen-
opgetild in hun aanwezigheid.
  
Ineens zijn ze vertrokken
krijgt het vale groen weer ruimte 
de wind vrij spel op deze kille dag. 

   

PLASTIC FANTASTIC

Valleien vol blozend fruit aan het oog 
onttrokken door een oceaan van glanzend gif
dat in strakke diagonalen elke holte vult. 
  
Zon geselt de berghellingen rondom,
ontneemt haar ogenschijnlijk alle vocht, maar
de lome berg is vergevingsgezinder dan ze oogt:
  
ze spuugt haar fruit in kale grond aan stammen uit,
haar gebarsten vruchten roerloos in het helle licht,
en verleidt mij met de geur van citrus en jasmijn. 
  
De dreiging blijkt van bovenaf te komen: 
wat niet langer loont, wordt schaamteloos verlaten 
zodat het gif genadeloos met elke nieuwe nachtwind 
de vallei en wat zij voortbrengt verder zal verstikken.